Het is meer dan twee maanden geleden dat Sichuan werd getroffen door een zware aarbeving, waarbij meer dan 80.000 het leven verloren. Samen met een van mijn studenten bezoek ik Dujiangyan, een stadje 30 km ten westen van de provinciehoofdstad Chengdu, dat slechts tientallen kilometers gelegen is van het epicentrum in Wenchuan. We gaan haar familie opzoeken.
“Waar woont je oma eigenlijk’, vraag ik Deng Yao als de bus net gearriveerd is in Dujiangyan. Ze is een van mijn Engelse studenten en heeft me enkele verhalen toegestuurd over haar familie die getroffen is door de aardbeving. ‘Mijn oma woont op een berg vlakbij de stad’, zegt ze als we de stad verder in lopen. Ondertussen kijk ik om me heen om de gevolgen van de aardbeving beter te kunnen zien. Diverse huizen staan leeg en vertonen meerdere scheuren. Op een enkele plaats staat in het geheel niets meer. Een open plek omringd door huizen. Alleen het puin geeft aan dat er hier eens een huis heeft gestaan. Complete flatgebouwen zijn verlaten en wachten op een opknapbeurt of op de slopershamer. Vele andere gebouwen zijn echter op het eerste oog intact gebleven. Een aardbeving heeft blijkbaar een erg selectief karakter.
We lopen verder en zien dat twee maanden na de beving nog steeds veel mensen in tenten leven. Tenten die gewoon midden op het trottoir of zelfs half op de weg zijn neergezet. Als ik oneerbiedig even naar binnenkijk, zie ik niets anders dan een bed en een deken. De bewoners zijn elders of hebben hun oude nering hervat: voor de tent verkopen ze Chinese snacks of andere goederen. Een Chinees is erg praktisch ingesteld. Verkopen kun je overal. In je oude winkel. Op de dorpsmarkt. En voor je nieuwe tent midden op straat.
‘Daar woont mijn oma. We moeten de heuvel opklimmen’, wijst Yao me als we de eerste stappen zetten op een glibberig, smal paadje. ‘Woont je oma daar alleen?’, wil ik weten. ‘Nee, mijn ooms wonen daar ook’. ‘Heb je nog een opa? Of is hij overleden?’, informeer ik verder. ‘Mijn opa woont daar ook, maar we praten nooit over hem. Mijn moeder haat hem en wil niets van hem weten’. Haar ouders heb ik gisteren ontmoet en zijn allervriendelijkst. Opa zal dus wel de kwaaie pier zijn, is mijn snelle conclusie. Ongevraagd geeft Yao antwoord op mijn opborrelende vragen: ‘Oma was erg mooi toen ze jong was en daarom vroeg hij haar ten huwelijk, maar al gauw was het duidelijk dat hij driftbuien had en mijn oma en moeder sloeg’. Ongemerkt loop ik wat langzamer achter haar aan. Ons bezoek krijgt ineens een extra dimensie. ‘Maar hij is altijd aardig tegen mij’, voegt ze er geruststellend aan toe, terwijl ze even omkijkt om er zeker van te zijn dat ik haar blijf volgen. ‘Mijn moeder wil echter niet dat ik hem opa noem en wil hem ook niet op bezoek hebben’, hoor ik haar voor me vertellen. Het is ook overal wat. Dit is voor de familie waarschijnlijk zelfs erger dan de aardbeving. Maar eens kijken wat voor type haar grootvader is.
Na enkele honderden meters het smalle, bergpaadje gevolgd te hebben, komen we aan bij het huis van haar oom. Hij heeft ons al aan zien komen en begroet ons hartelijk. De hond is wat minder hartelijk en blijft minutenlang hardnekkig blaffen, totdat hij eindelijk door zijn baas op zijn plaats wordt gezet. We gaan op het erf zitten op enkele kleine krukjes die vanuit de keuken zijn gehaald. Oom doet zijn verhaal: ‘Het huis is beschadigd door de beving en moet gerenoveerd worden. De overheid heeft alle getroffen bewoners een voorstel gedaan. We kunnen in ons huis blijven en krijgen een bedrag van 16,000 yuan (ongeveer 1500 euro). Of we krijgen een woning aangeboden in de stad’. Op het eerste gezicht lijkt me dat niet onredelijk. Haar oom trekt echter een bedenkelijk gezicht: ‘Wij willen hier blijven. We wonen hier mooi rustig en willen niet in de drukke stad wonen’. Ik kan me daar iets bij voorstellen als ik om me heen kijk. Niets dan bomen en de buren wonen een paar honderd meter verderop, terwijl de stad zelf op loopafstand is. Ik zou het wel weten. Hij gaat verder: ‘Bovendien is dit huis veel groter dan het huis in de stad dat 105m2 is en waar we met zijn drieën moeten wonen’. Yao’s neefje van zestien is intussen ook gearriveerd en pakt ook een krukje uit de keuken. ‘Is 16,000 yuan genoeg om het huis te repareren?’, laat ik Yao vertalen. ‘We hebben veel meer geld nodig, maar kunnen een renteloze lening krijgen van de overheid’, antwoordt hij met een zorgelijk gezicht. ‘We hebben al besloten hier te blijven’, rondt hij ons gesprek af als hij opstaat en ons uitzwaait.
Samen met haar neefje lopen we het paadje verder af naar het huis van haar oma en opa. Een tweede oom loopt op het erf rond en vertelt dat oma en opa niet thuis zijn, maar in de stad boodschappen aan het doen zijn. Dat is nou jammer. Ik had beiden graag even willen zien en hun verhaal willen horen. In het kleine keukentje kijk ik geïnteresseerd naar een achttal grote portretten aan weerszijden van de muur. Links hangen enkele bekende Chinese gezichten: Mao Ze Dong, Deng Xiao Ping en Zhou En Lai. Nummer vier ken ik niet. ‘Een beroemde generaal uit de burgeroorlog’, krijg ik te horen. De heren aan de overkant ken ik allemaal. Die jongens met die grote, woeste baarden zijn Marx en zijn vriendje Engels. Naast hen hangen Lenin en Stalin te pronken naast de keukenkast. Als gerenommeerd betweter voel ik altijd de neiging om toch even een opmerking te maken over mijnheer Stalin die waarschijnlijk ‘s werelds grootste massamoordenaar is. Vandaag maar niet. Vandaag moet ik mijn mond houden en luisteren.
Nadat we nog even de acht varkens hebben bekeken, lopen we het nog steeds erg glibberige paadje naar beneden. Ik heb oma niet ontmoet, maar het lijkt me geen pretje om dit elke dag te doen en dan ook nog eens met een volle mand op je rug op weg naar de markt. ‘Is er geen andere weg? Loopt je oma hier echt elke dag op en neer?’, stamel ik als ik voor de zoveelste keer even wegglijdt. ‘Nee’, glimlacht ze, ‘Je kunt alleen langs dit pad naar mijn familie. Je moet lopen. Aan een fiets heb je niks en met een brommer gaat ook niet’. Mijn respect voor oma en haar man groeit met elke glibberende stap.
Aan de rand van de stad laat haar neefje ons zijn nieuwe school zien. De oude is gesloopt vanwege instortingsgevaar na de aardbeving. ‘Een meisje is omgekomen, omdat ze geraakt werd door stenen. Verder is niemand gewond geraakt’, vertelt hij als we het schoolterrein oplopen. Het ziet eruit als een vluchtelingenkamp in Nederland. Tientallen geprefabriceerde barakken van kunststof staan keurig naast elkaar. ‘Na de aardbeving van 12 mei hebben we zes weken vrij gehad. Van eind juni tot eind juli hebben we in de nieuwe school les gehad. Nu hebben we vakantie tot begin september’, vervolgt hij zijn relaas over de gevolgen van de beving. ‘Hoe zit het met leerlingen die examen moesten doen?’, wil ik graag weten. ‘Alle leerlingen uit het getroffen gebied konden het centrale nationale universiteitsexamen later afleggen’, geeft haar neefje aan en Yao voegt daar nog aan toe: ‘Ze krijgen bovendien een hogere score, zodat ze niet bang hoeven te zijn dat ze niet naar de beste universiteiten kunnen’. Vadertje Staat zorgt goed voor zijn kinders. Misschien nog wel meer dan voor de aardbeving.
De eigenaar van het nieuwe hotel halverwege de berg schijnt echter minder gelukkig te zijn met de situatie. Hij had jarenlang gezocht naar een geschikte locatie en dacht die gevonden te hebben toen er hier bronwater gevonden werd. Een stijlvol hotel werd om de bron heen gebouwd, maar toen werd het 12 mei 2008. Al zijn investeringen zijn voor niks geweest, Het zal het hele tijd voordat de eerste gasten komen’, weet Yao me te vertellen als we langs het fonkelnieuwe, maar helaas lege complex lopen. ‘Mijn oma vertelde me dat hij zelfmoord wil plegen’, laat ze er nog veelbetekend op volgen.
Filed under: Getuigen | getagged: china, china earthquake 2008 sichuan aardbeving



